uitwonen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·wo·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitwonen
woonde uit
uitgewoond
zwak -d volledig

Werkwoord

uitwonen

  1. overgankelijk door nonchalante bewoning en slecht onderhoud verslijten, doen vervallen
    • Het huis uitwonen. 
  2. onovergankelijk niet intern verblijven, wonen (in het bijzonder: overnachten) op een andere plaats dan verwacht wordt van de leden van een bepaald gezin of verband
    • Hij werd dus, op zijn 16e jaar, gescheiden van zijne ouders, broeders en zusters, van zijn huis en hof; Rolleweg en veste en molen, stad en Dunecollege moest hij verlaten, om te gaan uitwonen, half knecht, half leerling, in 't onbekende. [2]

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
64 % van de Vlamingen.

Verwijzingen