uitwonen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·wo·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitwonen
woonde uit
uitgewoond
zwak -d volledig

Werkwoord

uitwonen

  1. (overgankelijk) door nonchalante bewoning en slecht onderhoud verslijten, doen vervallen
    Het huis uitwonen.
  2. (onovergankelijk) niet intern verblijven, wonen (in het bijzonder: overnachten) op een andere plaats dan verwacht wordt van de leden van een bepaald gezin of verband
    Hij werd dus, op zijn 16e jaar, gescheiden van zijne ouders, broeders en zusters, van zijn huis en hof; Rolleweg en veste en molen, stad en Dunecollege moest hij verlaten, om te gaan uitwonen, half knecht, half leerling, in 't onbekende.[2]
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Walgrave, A. Het leven van Guido Gezelle, Vlaamschen priester en dichter deel 1 (1923) Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam; p. 43; geraadpleegd 2015-07-17