uitwint

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·wint

Werkwoord

vervoeging van
uitwinnen

uitwint

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitwinnen
    • Jij uitwint. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitwinnen
    • Hij uitwint. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van uitwinnen
    • Uitwint!