uitwijken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·wij·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitwijken
week uit
uitgeweken
klasse 1 volledig

Werkwoord

uitwijken

  1. ergatief van richting veranderen om een obstakel te vermijden
    • De automobilist was plotseling uitgeweken om een botsing met een overstekende ree te vermijden. 
    • Maar er lagen nogal wat versperringen en tijdens het rennen had hij naar rechts moeten uitwijken. In het begin had hij de lijn gevolgd die door de luitenant was uitgezet, maar met die fluitende kogels en granaten ga je uiteraard zigzaggen. [1] 
  2. ergatief naar een ander land vluchten, veelal om politieke redenen
    • Zij waren naar het buurland uitgeweken. 
  3. (in België) emigreren; ook verhuizen naar een ander landsgedeelte in België
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 19
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be