uitwendigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·wen·dig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitwendigheid uitwendigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

uitwendigheid v [1]

  1. de uiterlijke schijn
    • Persoonlijk geloof en persoonlijke bekering zijn dringend noodzakelijk voor verbondskinderen. Anders sterven we weg in oppervlakkigheid en uitwendigheid. [2] 
    • Juist voor de toekomst is het van belang dat ouders oprecht zijn en niet veinzen, maakt ds. Schot duidelijk. „Jongeren zijn tegenwoordig mondiger. Ze gaan vaker om met andersdenkenden en eisen hun platform. Ouders zouden daarop moeten reageren vanuit een oprecht geloof, niet vanuit een uitwendigheid waarin het wezen van de zaak, de genade, ontbreekt.” [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Ds. C. Stelwagen 03-06-2009 Een nieuwe ‘oude’ schrijver
  3. Reformatorisch Dagblad Reinald Molenaar 19-12-2012 Ds. A. Schot schrijft boek over liefde in de gemeente