uitwaseming

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·wa·se·ming
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitwaseming uitwasemingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

uitwaseming v [1]

  1. de vochtige, bedompte damp die van een warmer, vochtig voorwerp of persoon afkomt
    • En dan natte sokken. Lig je bij een paar graden vorst in een kleine tent met natte sokken aan boord, hoe kun je die dan het beste drogen? Binnen hangt een dragelijke temperatuur maar is de vochtigheid door eigen uitwaseming niet ver van de honderd procent. Buiten vriest het, maar is de vochtigheid ongetwijfeld een stuk lager. En waait het ook aardig. Dus toch maar buiten? Maar wat te doen als de dure sokken bevriezen? Heeft de wol daarvan de lijden, gaan de vezels kapot? [2] 
  2. (figuurlijk) de benauwde sfeer die ergens heerst
    • De negentiende eeuw is de eeuw van heimelijkheid en bangelijkheid. De eeuw van koningin Victoria, waarin de seksualiteit beperkt wordt tot voetjevrijen onder de tafel, het gezin nog als een onaantastbaar instituut functioneert. Een eeuw ook met een uitwaseming van iets knellends, iets benauwends, met een walm van spruitjeslucht, verstikkende burgerlijkheid en biedermeiermeubeltjes. Het gangbare beeld van de negentiende eeuw is uiterst negatief. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Karel Knip 16 januari 2010 Winterdenken
  3. Reformatorisch Dagblad 05-03-2003 Tikkende klok in een stil, donker huis
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be