uitvogelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·vo·ge·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitvogelen
vogelde uit
uitgevogeld
zwak -d volledig

Werkwoord

uitvogelen

  1. Iets uitzoeken, uitdokteren vaak op een meer praktische- en effectieve- dan streng wetenschappelijke manier.
    • De organisatie wil uitvogelen welke strategieën effectief zijn om grote groepen mensen te mobiliseren.. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Verwijzingen