uitvallen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·val·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitvallen
viel uit
uitgevallen
klasse 7 volledig

Werkwoord

uitvallen

  1. ergatief niet langer functioneren
    • De zender is opeens uitgevallen. 
  2. ergatief verliezen van haar, naalden, bloembaden enz
    • De kerstboom is al erg uitgevallen en kan beter maar opgeruimd worden. 
  3. ergatief niet doorgaan van iets dat vooraf gepland stond
    • Ik had vandaag eigenlijk zes lessen, maar één is er uitgevallen. 
  4. koppelwerkwoord uiteindelijk worden
    • De taart is een beetje groot uitgevallen, maar het komt wel op. 

Zelfstandig naamwoord

uitvallen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitval

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.