uittrap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

uittrap
Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·trap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uittrap uittrappen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

uittrap m [1]

  1. (voetbal) met een trap de bal weer in het spel brengen door de keeper
    • Lang duurde de euforie niet na de droomstart. Doelman Bizot moest amper vijf minuten later met de draagberrie worden afgevoerd, nadat hij bij een snelle uittrap door zijn voet was gegaan. Er wordt gevreesd voor een zware blessure. Het zette een domper op de feestvreugde en een punt achter een flitsende openingsfase. De thuisploeg werd met de minuut slordiger en liet een hulpeloos spartelend Kortrijk overeind krabbelen.[2] 
    • De beste kans van Willem II voor rust werd ingeluid door doelman Kostas Lamprou, die een snelle uittrap hard en scherp bij spits Lucas Andersen kreeg, maar die speelde de bal te ver voor zich uit en verloor de controle.[3] 
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
uittrappen

uittrap

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uittrappen
    • ... dat ik uittrap. 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 25 JANUARI 2017
  3. Tubantia 11-JANUARI-2017
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be