uittocht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·tocht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uittocht uittochten
verkleinwoord uittochtje uittochtjes

Zelfstandig naamwoord

uittocht m

  1. het massaal verlaten van een bepaalde locatie of organisatie
    • De ontkerkelijking leidde vanaf de jaren zestig tot een ware uittocht uit de kerken van Europa. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be