uitstralend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·stra·lend

Werkwoord

vervoeging van
uitstralen

uitstralend

  1. onvoltooid deelwoord van uitstralen
stellend
onverbogen uitstralend
verbogen uitstralende
partitief uitstralends

Bijvoeglijk naamwoord

uitstralend

  1. naar een verderaf gelegen plaats uitbreidend
    • De schaatser uit Losser, uitkomend voor team LottoNL-Jumbo, heeft last van een cyste in zijn heup. Door de uitstralende pijn in zijn linkerbeen heeft Olde Heuvel met name last tijdens het schaatsen. [1] 
    • Controleer jezelf en je kinderen op teken, vooral bij oksels, liezen, knieholtes, bilspleet, nek en oren. Zie je een teek: trek ’m er zo snel mogelijk uit met een puntig pincet (of tekentang). Maak het wondje daarna schoon met alcohol. En ga naar de huisarts als dat allemaal niet goed lukt, de teek er al langer dan 24 uur zit, er een verkleuring rond de beet of elders op het lichaam ontstaat en bij griepachtige klachten, gewrichtsklachten of uitstralende pijn. [2] 


Gangbaarheid


Verwijzingen