uitstralen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·stra·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitstralen
straalde uit
uitgestraald
zwak -d volledig

Werkwoord

uitstralen [1]

  1. overgankelijk energie of materie (straalsgewijs) verspreiden
  2. overgankelijk (figuurlijk) op duidelijke wijze tonen
    • hij straalde zelfvertrouwen uit 
     Ze straalde een enorme rust uit en ik voelde me totaal niet bedreigd.[2]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be