uitstoten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·sto·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitstoten
stiet uit
stootte uit
uitgestoten
klasse 7

gemengd
zwak -t

volledig

Werkwoord

uitstoten [1]

  1. overgankelijk uit een groep doen weggaan
    • Op een zekere leeftijd worden mannetjesolifanten uitgestoten uit de kudde. 
  2. overgankelijk (milieukunde) in het milieu vrijlaten
    • Er werd bij dat proces vrij veel kwik en cadmium uitgestoten. 
  3. overgankelijk uiten
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

uitstoten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitstoot

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen