uitschieter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·schie·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitschieter uitschieters
verkleinwoord uitschietertje uitschietertjes

Zelfstandig naamwoord

uitschieter m [2]

  1. een waarneming die niet bij de overige lijkt te passen
  2. iets of iemand die heel veel beter of slechter is dan de rest, een prestatie die heel veel beter of slechter is dan de resultaten die men gewoonlijk behaalt
    • Sommige erfpachters met een lage buurstraatquote zijn dan ook blij met een laag voorstel, maar er zijn forse uitschieters aan de bovenkant. Zoals de 250.000 euro van Zikkenheimer, die vreest te moeten verhuizen. Van der Burg houdt tot nu toe echter vast aan de buurtstraatquote en de WOZ-waarde, beiden aangeraden door een commissie van experts. [3] 
    • Het dier legde de afstand af met soms erg hoge snelheden. Gemiddeld liep ze 46,3 kilometer per dag, maar op sommige dagen wist de vos veel grotere afstanden af te leggen, met een uitschieter van 155 kilometer. Waarschijnlijk gebruikte ze die dag het zee-ijs ‘als vervoersmiddel'. [4] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen