uitrijzen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·rij·zen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

uitrijzen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitrijzen
rees uit
uitgerezen
klasse 1 volledig
  1. de pan uitrijzen: veel te groot worden
     Sportcluster Vondersweijde is toe aan vernieuwing, maar de kosten mogen niet de pan uitrijzen. Die boodschap gaven de leden van het politiek forum maandagavond nadrukkelijk mee aan wethouder Christenhusz.[2]
     Onder het motto ‘voorkomen is beter dan genezen’ onderstreepten ook andere fracties het belang van preventie. Tegelijk moet er volgens wethouder Eugène van Mierlo (zorg en Wmo) ook flink gesneden worden in de zorgkosten, die met name de laatste jaren voor Almelo de pan uitrijzen.[3]

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Anne Loohuis “Kostenstijging renovatie Vondersweijde Oldenzaal baart politiek zorgen” (15-01-2019), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron Henk Bouwhuis “Wethouder in Almelo: miljoenen bezuinigen in zorg is noodzaak” (16-01-2019), Tubantia