uitpraten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·pra·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitpraten
praatte uit
uitgepraat
zwak -t volledig

Werkwoord

uitpraten

  1. niets meer te vertellen hebben
    • Na uren zijn we nog niet uitgepraat. 
    • Hij raakte niet uitgepraat over zijn hobby. 
  2. zonder onderbreking een verhaal afmaken
    • Laat u me even uitpraten? 
    • Maar dat ze me niet lieten uitpraten. Daar ging het mij om. Ik wilde gewoon uitpraten. De zaken uitpraten. Uitpraten. Mijn zegje doen. Wat konden mij die badkamerproducten schelen? Ik wilde alleen maar geld. Geld, in ruil voor het acht uur lang aanprijzen van badkamerproducten. Laat me dan toch uitpraten! [1] 
  3. iets bespreken tot er een conclusie getrokken wordt
    • We hebben het probleem uitgepraat. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 111