uitpikken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·pik·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

uitpikken

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitpikken
pikte uit
uitgepikt
zwak -t volledig
  1. met een snavel iets pakken
  2. door pakken een gekozen element uit een verzameling kiezen
    • Sergeant Marijn en luitenant Stefan zou je in een vol café er niet direct als elitemilitairen uitpikken. Ze komen eerder over als je sportieve buurman waarbij je Stefan een paar jaar terug goed zou kunnen voorstellen als middelpunt van een volle studentensociëteit. Het klopt allebei en toch vochten beiden in Afghanistan.[1] 
    • Kramer wilde de 5 kilometer er dan ook uitpikken als de afstand die het lekkerst liep. "Het is fijn dat ik die macht weer heb, dit moet ik uitbouwen naar de WK afstanden toe."[2] 
    • Ik ben allergisch voor alles wat naar lijm en papier ruikt, alsook mijn 11-jarige zoon. De fröbelwerkjes die in zijn klas in een keurige rij aan de muur hangen; die van hem kan ik er zó uitpikken (kikker kijkt scheel of eend heeft een gebroken snavel).[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf OLOF VAN JOOLEN 25 mrt. 2017
  2. de Telegraaf 08 jan. 2017
  3. de Telegraaf YVONNE VAN DER WAL 20 aug. 2015