uitoefening

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·oe·fe·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitoefening -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

uitoefening v [1]

  1. het uitoefenen (in de praktijk brengen van iets)
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal