uitlokt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·lokt

Werkwoord

vervoeging van
uitlokken

uitlokt

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlokken
    • ... dat jij uitlokt. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlokken
    • ... dat hij uitlokt.