uitlezen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·le·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitlezen
las uit
uitgelezen
klasse 5 volledig

Werkwoord

uitlezen

  1. overgankelijk lezen tot het verhaal afgelopen is
    • Ik las het boek in één ruk uit. 
  2. overgankelijk ergens digitale gegevens uithalen
    • Op mijn slimme meter zit een knop om de data uit te lezen. 
    • Als op je dashboard een lampje begint te branden, dan kan de dealer de foutcode uitlezen en de storing verhelpen. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.