uitlekken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·lek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitlekken
lekte uit
uitgelekt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitlekken

  1. ergatief druppelsgewijs uit iets vallen
    • Ik heb het filter nog even laten uitlekken. 
  2. ergatief overdrachtelijk: van informatie ongewenst openlijk bekend raken
    • De jongste details die daarover uitgelekt zijn deden veel stof opwaaien. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie