uitkuisen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
uitkuisen
uitkuis


Woordafbreking
  • uit·kui·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitkuisen
kuiste uit
uitgekuist
zwak -t volledig

Werkwoord

uitkuisen

  1. de binnenkant schoonmaken (van een kast, kachel, ketel, ton, stal)
    • Ze wilde de stoof nog even uitkuisen zodat ze goed zou branden. 
  2. de tenen van een paard uitkuisen (verzorgen)
  3. zijn uiterste best (moeten) doen
    • De wielrenners zullen met dit weer hun tenen mogen uitkuisen 
  4. opschonen, ontdoen van verouderde of niet relevante gegevens (bestand, archief, dossier, lijst, verzameling)
    • Deze databank/dit dossier moet dringend eens uitgekuist worden 
Hyperoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen