uitknippen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Schimmenspel gemaakt door uitknippen
Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·knip·pen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

uitknippen [1] [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitknippen
knipte uit
uitgeknipt
zwak -t volledig
  1. met een schaar een figuur uit een bladpapier halen
    • Het is wel een ongemak voor lezers die graag artikelen uitknippen. En die zijn er zeker (de gemiddelde leeftijd van de NRC Handelsblad-abonnee ligt flink boven de vijftig). Trouwe lezers, weet ik van huisbezoek, hebben vaak nog de spreekwoordelijke fruitmand met knipsels, al dan niet in rood geannoteerd. [3] 
  2. het elektrische licht met een schakelaar uitdoen
  3. een kaars door knippen doven
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen