uitklappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·klap·pen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

uitklappen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitklappen
klapte uit
uitgeklapt
zwak -t volledig
  1. iets met een scharnierende beweging naar buiten bewegen
    • De Nederlanders beschikten over een geheim wapen dat hun wagen een grote voorsprong gaf. 'We hadden als enige team zonnecellen die we konden uitklappen als we stilstonden. Zo konden we extra energie binnenhalen en harder rijden.' [2] 
    • Een helikopter liet de Dream Chaser zaterdag van een hoogte van ruim 3800 meter vallen om de vrije val te simuleren. Het ging lange tijd goed, totdat het landingsgestel moest uitklappen. De wielen aan de linkerkant klapten te laat uit, waardoor de Dream Chaser naast de landingsbaan belandde. [3] 
     Bij het plein van Campo dei Tolentini met de marmeren zuilen van de neoklassieke gevel van San Nicola, waar de terrasjes uitgeklapt stonden, diende ik rechtdoor mijn weg te vervolgen.[4]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen