uitkauwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·kau·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitkauwen
kauwde uit
uitgekauwd
zwak -d volledig

Werkwoord

uitkauwen

  1. overgankelijk zolang kauwen tot de laatste substantie eruit is gehaald

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be