uithongeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·hon·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uithongeren
hongerde uit
uitgehongerd
zwak -d volledig

Werkwoord

uithongeren

  1. overgankelijk lang ieder voedsel ontzeggen
    • Tijdens het beleg werd de stad langzaam uitgehongerd. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.