uitgestreken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ge·stre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen uitgestreken
verbogen
partitief uitgestrekens

Bijvoeglijk naamwoord

uitgestreken [1]

  1. van een gelaat dat je er geen emotie vanaf kunt lezen
    • Op de theusualroutine.com vind je niet alleen maar goedkoop knip- en plakwerk van imitatienieuws dat Trump ophemelt of Hillary besmeurt, stellen de twintigers. Wel, zegt Zarkov, zorgvuldig bewerkte stukken over een breed scala aan onderwerpen. En, met uitgestreken gezicht: “Wij promoten geen dingen die niet waar zijn.” [2] 
     Met uitgestreken gezicht probeerde ik nog van kamer te ruilen, maar het motel zat dat hele weekend vol.[3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van: uitstrijken…
verbogen vorm: uitgestrekene

uitgestreken

  1. voltooid deelwoord van uitstrijken

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Roeland Termote 20 november 2016
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be