uitgerust

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ge·rust
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
uitrusten

uitgerust

  1. voltooid deelwoord van uitrusten
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen uitgerust uitgeruster (uitgerustst) *
verbogen uitgeruste uitgerustere (uitgerustste) *
partitief uitgerusts uitgerusters -

Bijvoeglijk naamwoord

uitgerust

  1. niet meer moe, met hernieuwde energie
     Alsof hij zich verantwoordelijk voelde voor de hele schepping, verontschuldigde hij zich voor de argwaan in de moderne wereld, die hem ertoe verplichtte bepaalde formaliteiten in acht te nemen, maar hij verzekerde mij dat we daar later nog een geschikt moment voor konden vinden, wanneer ik zou zijn uitgerust van mijn verplaatsing.[1]
  2. van benodigdheden voorzien
    • En daar staan we weer voor de strijd uitgerust, dacht Albert, klaar om het schavot te beklimmen (zo werd de ladder genoemd die ze gewoonlijk gebruikten om de loopgraaf uit te komen, over perspectief gesproken) en dan met het hoofd vooruit op de vijandelijke linies af te stormen. [2] 
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest uitgerust(e)" worden gebruikt.[3][4]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen