uitgerust

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ge·rust
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
uitrusten

uitgerust

  1. voltooid deelwoord van uitrusten
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen uitgerust uitgeruster (uitgerustst) *
verbogen uitgeruste uitgerustere (uitgerustste) *
partitief uitgerusts uitgerusters -

Bijvoeglijk naamwoord

uitgerust

  1. niet meer moe, met hernieuwde energie
  2. van benodigdheden voorzien
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest uitgerust(e)" worden gebruikt.[1][2]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen