uitgerust

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ge·rust
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen uitgerust uitgeruster uitgerustst
verbogen uitgeruste uitgerustere uitgerustste
partitief uitgerusts uitgerusters -

Bijvoeglijk naamwoord

uitgerust

  1. niet meer moe, met hernieuwde energie
  2. van benodigdheden voorzien
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
uitrusten

uitgerust

  1. voltooid deelwoord van uitrusten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.