uitgeleide

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

de burgemeester doet uitgeleide bij emigratie naar Australië
Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ge·lei·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitgeleide
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

uitgeleide [1]

  1. iemand een stukje vergezellen bij het weggaan (al was het maar tot de uitgang)
    • `Zoon van Intego,' zei hij. 'Wij zijn bij elkaar gekomen om te bespreken hoe wij jou het beste uitgeleide kunnen doen nu de tijd gekomen is om weer te vertrekken en verder te gaan.' [2] 
    • Voor het koningspaar reden prins Constantijn en zijn vrouw Laurentien, die een grijze jurk van Hardies draagt, naar de Ridderzaal uit. Een commissie van in- en uitgeleide met onder meer Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib ontving het koningspaar bij de ingang. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 39
  3. Tubantia Suzanne Borgdorff 19-september-2017