uitfluiten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·flui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitfluiten
floot uit
uitgefloten
klasse 2 volledig

Werkwoord

uitfluiten

  1. overgankelijk door luid fluiten misnoegen jegens iemand uiten
    • Na die omstreden beslissing werd de scheidsrechter langdurig uitgefloten. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.