uiterste

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ui·ter·ste
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van uiterst met het achtervoegsel -e
  • is op te vatten als de verbogen overtreffende trap van het voorzetsel uit [1]

Bijvoeglijk naamwoord

uiterste

  1. verbogen vorm van de stellende trap van uiterst
enkelvoud meervoud
naamwoord uiterste uitersten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

uiterste

  1. datgene wat (tot) het verste gaat
    • Hij ging tot het uiterste en won op het nippertje. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen