uitdossen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·dos·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitdossen
doste uit
uitgedost
zwak -t volledig

Werkwoord

uitdossen

  1. wederkerend zich ~ zich op opvallende wijze kleden
    • Zij dosten zich met carnaval uit met veel veren en glitter. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.