uitdokteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·dok·te·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

uitdokteren [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitdokteren
dokterde uit
uitgedokterd
zwak -d volledig
  1. uitzoeken en uitproberen van iets om zo een probleem op te lossen
    • Leren is hierbij in het begin belangrijker dan rendement. “Achter een bureau een masterplan voor de komende 5 jaar uitdokteren, is niet meer van deze tijd.[2] 
    • „Ik ben de oudste ceo van alle beursgenoteerde ondernemingen in Nederland. Ik heb nog leiding mogen geven aan het uitdokteren van een plan tot 2020. Het is goed dat dit in uitvoering wordt gebracht door degenen die daar straks ook verantwoording over af moeten afleggen. Ik denk dat het dan beter is om de leiding eerder over te dragen.”[3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf ISABEL MICHELOTTI
  3. de Telegraaf RUBEN EG EN MARTIN VISSER 23 dec. 2016
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be