uitbraak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·braak
Woordherkomst en -opbouw

samenstelling van uit en naamwoord van handeling van breken

enkelvoud meervoud
naamwoord uitbraak uitbraken
verkleinwoord uitbraakje uitbraakjes

Zelfstandig naamwoord

uitbraak v/m

  1. het plotseling stijgen van een koers op de aandelenmarkt
    •  
  2. het plotseling optreden van een besmettelijke ziekte
    • De uitbraak van Ebola heeft veel levens geëist. 
  3. uitbarsting van een vulkaan
  4. vlucht, ontsnapping
    • Ivan Perisic dompelde Spanje in rouw vlak voor tijd, nadat hij doelman David De Gea in de korte hoek versloeg na een snelle uitbraak vlak voor tijd.[1] 

Werkwoord

vervoeging van
uitbraken

uitbraak

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitbraken
    • ... dat ik uitbraak. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC 22 juni 2016