uitbenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·be·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbenen
beende uit
uitgebeend
zwak -d volledig

Werkwoord

uitbenen

  1. overgankelijk het been uit (het vlees) halen
    • Hij was het vlees aan het uitbenen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen