uiensmaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ui·en·smaak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uiensmaak
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

uiensmaak [1]

  1. met de smaak van uien
    • Het dillegroen kan desnoods vervangen worden door wat fijngeknipte bieslook, maar niet te veel anders komt de uiensmaak weer om de hoek kijken.[2] 
    • Tot dan toe dacht men dat alleen het enzym allinase voor het huilgas propaanthial-S-oxide zorgde. Aangezien dit enzym ook de aanmaak regelt van een stof die de bol zijn bekende pittige uiensmaak geeft (thiosulfinaat), achtte men het onmogelijk om een smaakvolle en tegelijkertijd oogvriendelijke ui te maken. Het enzym onderdrukken kan immers niet echt, want dan smaakt de ui nergens meer naar.[3] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Florine Boucher 16 juni 2006 Aangeklede haring
  3. de Standaard Mieke HEYLEN-VAN DEN BOSCH, Heusden-Zolder Hoe komt het dat je niet huilt als je bij het snijden van uien je tong uitsteekt?
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be