tweeloop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

jager met tweeloop
Uitspraak
Woordafbreking
  • twee·loop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tweeloop tweelopen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tweeloop m [1]

  1. jachtgeweer met twee lopen zodat men twee keer kan schieten voordat men moet herladen
    • Geller zegt dat veel van zijn klanten ook verwoede jagers zijn. Zelf heeft hij geen schietijzers in zijn winkel in Smyrna. Hij stuurt zijn klanten naar een lokale wapenhandelaar waar ze hun bon kunnen inruilen voor een tweeloop. [2] 
    • Al zijn er toch een paar hoogtepunten die we nog nergens hebben gezien. Zo zou tijdens het proces de geest van Steve Jobs verschenen zijn, en heeft de (mannelijke) rechter het Android-poppetje met een tweeloop aan flarden geschoten. [3] 
    • Parfum is verboden, laarzen zijn verplicht. Mijn afspraak met Ludo Fastré, voorzitter van de Limburgse jagersvereniging, klinkt veelbelovend. Hij draagt van vilten hoed tot teen enkel kaki en beige. Uit de koffer van zijn terreinwagen haalt hij een tweeloop en kogels. [4] 
Hyperoniemen

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen