tweeheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • twee·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van twee met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord tweeheid tweeheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tweeheid v [1]

  1. het uit twee delen bestaan
    • Het punt is, we kunnen het wél anders interpreteren. Die vrijheid van denken hebben we. Wij zien de gescheidenheid in de liefde als een mislukking, omdat we geleerd hebben de liefde als een eenheid te zien. Oefenen wij daarentegen onszelf naar liefde te kijken als een tweeheid, dan hoeven we ons over een heleboel dingen in één klap geen zorgen meer te maken. [2] 
    • Zo helpt Schulz zijn lezer bij wat hij zelf als ideaal formuleert: te 'rijpen naar de kindertijd', de wereld van voor de tweeheid. Door terug te keren naar dat 'geniale tijdperk', leren we de werkelijkheid onder andere, wezenlijker aspecten zien: 'De substantie van die werkelijkheid', schrijft hij in een brief, 'bevindt zich in een toestand van voortdurende gisting, ontkieming, verborgen leven. [3] 
    • Mondriaan, verbonden aan de kunstenaarsbeweging De Stijl, formuleerde dit idee zo: 'Het zuiver beeldend zien moet een nieuwe maatschappij opbouwen, zoals het in de kunst een nieuwe beelding opgebouwd heeft - een maatschappij van gelijkwaardige tweeheid van het materiële en het geestelijke, een maatschappij van evenwichtige verhoudingen'. [4] 
    • Als Groot-Nederlands nationalist, wiens activisme overigens niet zover ging dat hij België metterdaad kapot wilde maken, zette Geyl zich af tegen het Klein-Nederlandse respectievelijk belgicistische nationalisme van historici in Nederland en België, die elkaar de hand reikten als het erom ging juist van de tweeheid van de Nederlanden de historische logica te laten zien. [5] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.

Verwijzingen