tutten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tut·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tutten
tutte
getut
zwak -t volledig

Werkwoord

tutten [1][2][3]

  1. inergatief treuzelen, tijd verdoen,
    • Ik heb de hele middag maar een beetje lopen tutten. 
  2. inergatief langdurig met schoonheidsverzorging bezig zijn
    • Lekker zo'n middagje tutten in de schoonheidssalon. 
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

tutten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tut

Werkwoord

vervoeging van
tutten

tutten

  1. meervoud verleden tijd van tutten
    • Wij tutten. 
    • Jullie tutten. 
    • Zij tutten. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen