tutoyeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tu·toy·e·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tutoyeren
tutoyeerde
getutoyeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

tutoyeren

  1. (wederkerig) elkaar met jij en jou aanspreken
    Zij tutoyeerden elkaar al jaren.
Verwante begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
95 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie