tuit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuit
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘punt’ voor het eerst aangetroffen in 1340 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord tuit tuiten
verkleinwoord tuitje tuitjes

Zelfstandig naamwoord

tuit v / m [4] [5] [6] [7] [8]

  1. schenkpijp aan een kan of ketel
    • Een theeketel met tuit. 
  2. spits toelopend einde
    • De tuit van een muts. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
tuien

tuit

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuien
    • Jij tuit. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuien
    • Hij tuit. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van tuien
    • Tuit! 
vervoeging van
tuiten

tuit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van tuiten
  2. gebiedende wijs van tuiten

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen