tuit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tuit tuiten
verkleinwoord tuitje tuitjes

Zelfstandig naamwoord

tuit v / m [3] [4] [5] [6] [7]

  1. schenkpijp aan een kan of ketel
  2. spits toelopend einde
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
tuien

tuit

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuien
    • Jij tuit. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuien
    • Hij tuit. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van tuien
    • Tuit! 
vervoeging van
tuiten

tuit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van tuiten
  2. gebiedende wijs van tuiten

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen