tuinierde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tui·nier·de

Werkwoord

vervoeging van
tuinieren

tuinierde

  1. enkelvoud verleden tijd van tuinieren
    • Ik tuinierde. 
    • Jij tuinierde. 
    • Hij, zij, het tuinierde.