tuchtzaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tucht·zaak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tuchtzaak tuchtzaken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tuchtzaak v / m

  1. (juridisch) rechtszaak bij een tuchtcollege

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.