truttig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trut·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van trut met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen truttig truttiger truttigst
verbogen truttige truttigere truttigste
partitief truttigs truttigers -

Bijvoeglijk naamwoord

truttig

  1. stijf van kleding, gedrag e.d, benepen, burgerlijk vooral betrekking hebbend op vrouwen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.