trotter
Uiterlijk
- van Oudfrankisch *trottôn "lopen"
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| trotter |
trottais |
trotté |
| eerste groep | volledig | |
trotter
- onovergankelijk draven [1]; in draf gaan (van paarden)
- onovergankelijk hard lopen; draven [2]
se trotter
- wederkerend (spreektaal) de benen nemen, 'm smeren [1]