trotten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trot·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans

Werkwoord

trotten

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trotten
trotte
getrot
zwak -t volledig
  1. stevig doorlopen
Synoniemen

Gangbaarheid

37 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be