trompetboom
Uiterlijk

- Geluid: trompetboom (hulp, bestand)
- IPA: / trɔmˈpɛdbom / (3 lettergrepen)
- trom·pet·boom
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | trompetboom | trompetbomen |
| verkleinwoord | trompetboompje | trompetboompjes |
de trompetboom m
- (bloemplanten) benaming voor bomen uit het geslacht Catalpa
in de trompetboomfamilie (Bignoniaceae
)
- ▸ Quispel, wie de aanblik te veel werd, liep de brede galerij op die de binnenplaats omgaf, en bleef in gedachten naar de trompetboom staan kijken.[2]
- ▸ Sommige bolvormen op een stam zijn zo geknipt, andere hebben van nature een ronde kroon - zoals de Catalpa bignonioides Nana, een trompetboom. De laatste groeit vooral in particuliere tuinen.[3]
- Het woord trompetboom staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ “Advocaat van de Hanen” (1990), De Bezige Bij
, ISBN 9789023479925 - ↑
Weblink bron Clasina van den Heuvel“Leilinde en herfstanemoon in het zonnetje” (19 januari 2007), Reformatorisch Dagblad
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 11
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bloemplanten in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal