troef

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • troef
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord troef troeven
verkleinwoord troefje troefjes

Zelfstandig naamwoord

troef v/m

  1. (kaartspel) een kaart van een kleur die hogere waarde heeft dan andere kleuren
    Samen hadden zijn acht van de dertien troeven in handen.

Werkwoord

vervoeging van
troeven

troef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van troeven
    Ik troef.
  2. gebiedende wijs van troeven
    Troef!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van troeven
    Troef je?
Gangbaarheid
99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal