Naar inhoud springen

trim

Uit WikiWoordenboek
  • trim
enkelvoud meervoud
naamwoord trim -
verkleinwoord trimmetje

detrimm

  1. (scheepvaart) langsscheepse helling van het schip in het water
    • Hoe bepaal je de trim van het schip? 
  2. (filmkunst), (techniek) filmmateriaal dat wordt opgenomen maar niet verder gebruikt

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

vervoeging van
trimmen

trim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trimmen
    • Ik trim. 
  2. gebiedende wijs van trimmen
    • Trim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trimmen
    • Trim je? 
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
enkelvoud meervoud
trim trims

trim

  1. garnering, versiering
  2. (scheepvaart)  trim zn  [1]
  3. (filmkunst), (techniek)  trim zn  [2]
  4.  staat zn  [1], toestand
  5. (kleding) kostuum
stellend vergrotend overtreffend
trimtrimmertrimmest

trim

  1. mager, slank
  2. (van uiterlijk) netjes, verzorgd
  3. lichamelijk fit
vervoeging
onbepaalde wijs to  trim 
he/she/it  trims 
verleden tijd  trimmed 
voltooid
deelwoord
 trimmed 
onvoltooid
deelwoord
 trimming 
gebiedende wijs  trim 

trim

  1. overgankelijk (enigszins) verminderen
  2. overgankelijk (vooral een kerstboom) versieren [1]
  3. overgankelijk netjes, mooi maken
  4. overgankelijk (van haar) afknippen, bijknippen
  5. overgankelijk snoeien
  6. onovergankelijk laveren, schipperen (ook fig.)
  7. onovergankelijk, (scheepvaart) stilliggen
  8. overgankelijk, (scheepvaart)  brassen ww  [3],  trimmen ww  [3]
  9. overgankelijk, (scheepvaart) optuigen [2]
  10. overgankelijk berispen, een uitbrander geven, uitfoeteren