triatlon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

triatlon
Uitspraak
Woordafbreking
  • tri·at·lon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord triatlon triatlons
verkleinwoord triatlonnetje triatlonnetjes

Zelfstandig naamwoord

triatlon m/o

  1. wedstrijd de bestaat uit zwemmen, fietsen en hardlopen
    • Iedereen die verzekerd wil zijn van een startbewijs voor de Triathlon[sic!] Holten moet zondag vroeg uit de veren. Inschrijven voor de diverse afstanden kan zondag vanaf zes uur. Gezien de grote belangstelling in de afgelopen jaren, adviseert de organisatie belangstellenden zich bijtijds aan te melden. [2] 
    • De buurvrouwen en vriendinnen Colette Gomez (37) en Miriam Gerfen (40) gaan de uitdaging deze vrijdagavond ook aan. Het sportieve duo uit Eibergen is in voorbereiding op de triatlon(sic) benieuwd wat ze tijdens de rit te wachten staat. [3] 
    • Holland eindigde in de afsluitende finale van de negen wedstrijden tellende strijd om de titel als tweede, kort achter de Australische Ashleigh Gentle die na 1 uur en 52 minuten klaar was met de triatlon over de standaard afstand, voorheen olympische afstand (1,5 km zwemmen, 40 km fietsen en 10 km hardlopen). Ze loste de Amerikaanse Katie Zaferes af aan kop van de ranglijst. [4] 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. triatlon op website: Etymologiebank.nl
  2. Tubantia Haast geboden bij inschrijving Triathlon Holten Rudi Hofman 15-12-18
  3. Tubantia André Scheffers 28-12-18 Op verlichte mountainbike door Eibergse nacht
  4. De Telegraaf 15 sep. 2018 Wereldtitel voor triatlete Holland