trenzen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tren·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trenzen
trensde
getrensd
zwak -d volledig

Werkwoord

trenzen

  1. overgankelijk een rand of oog van een stuk weefsel verstevigen door het aanbrengen van vele steken van een stevig garen
    • Ik zoude de bedoelde touwversperring wenschen te maken van geteerd wandslag van 20 of 18 duim, getrensd met ijzerbindselgaren no. 2, vlottende gehouden door cilindrieke boeijen (afgezaagde stukken van palen), van 35 à 40 Ned. duimen middellijn en één el lengte.[1] 

Zelfstandig naamwoord

trenzen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord trens

Gangbaarheid

18 % van de Nederlanders;
23 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Mededeelingen betreffende het Zeewezen, Volumes 11-13. Ministerie van Marine 1869